READING

Job had niet gedacht dit ooit nog eens te schrijve...

Job had niet gedacht dit ooit nog eens te schrijven: ‘Sinds kort ga ik op zondag weer naar de kerk’


Job nam als 17-jarige afscheid van de kerk en van God. Maar sinds een tijdje gaat hij weer op zondagmorgen. Hij doet een ‘onbeholpen poging’ om in woorden uit te leggen waarom hij het geloof toch weer wil herontdekken.  

Ik weet niet hoe ik dit verhaal moet beginnen. Het gaat over mezelf, over mijn zoektocht naar God als ontsnappingsroute uit de gapende leegte van het moderne leven. Overal om me heen zie ik mensen die vooral bezig zijn met zichzelf: op de sociale media, op het werk, in de politiek, op straat, in gesprekken met vrienden en familie – we zoeken allemaal naar onszelf, zijn ambitieus, willen verder komen in het leven en dat doen we door onszelf voortdurend te ontplooien. Want wij zelf zijn belangrijk. Alsof we ons bestaan alleen door onze successen en onze interessantheid zinvol kunnen maken.

Ik wil een verhaal vertellen waaruit duidelijk moet worden dat het in het leven juist niet om jezelf gaat, maar om de ander. Dat ons bestaan alleen betekenis krijgt in de ontmoeting – in de erkenning van en door anderen. Dat leven een opdracht is tot naastenliefde, waarbij we zorg dragen en verantwoordelijkheid nemen voor de ander. Dat het idee van het autonome individu (het ‘ik’ op een voetstuk) een illusie is. Dat het een desastreus bijeffect is van de zegeningen die het allesoverheersende wetenschappelijk denken ons heeft gebracht, door de wereld kunstmatig op te splitsen in te beschrijven objecten (de dingen en de ander) en beschrijvende subjecten (de ikken). Dat eigenliefde de belangrijkste kwaal is van deze tijd.

En ondertussen heb ik het dus vooral over mezelf. Want ik (steeds weer dat ‘ik’) lijd evenzeer aan de zelf-ziekte. Ik weet niet hoe ik uit deze paradox kan ontsnappen. Dit verhaal is een poging daartoe.

Overgave aan een groter geheel

Sinds kort ga ik op zondag weer naar de kerk. Soms word ik daarbij overvallen door een gevoel van grote ontroering. Als de voorganger ‘Heer, ontferm u’ bidt, als we een lied met een mooie melodie zingen, bij het lichtritueel in de advent-vesperdienst, als we een waxinelichtje ontsteken en op een tafel plaatsen terwijl we Prijs de Heer mijn ziel zingen – het beweegt me tot tranen toe, zonder dat ik precies kan uitleggen waarom.
Ik vermoed dat het de overgave aan een groter geheel is, het samen met anderen opgenomen zijn in de ruimte van God, wat dat ook mag zijn. Zoals een zingende voetbalfan in het stadion zichzelf even verliest in de schare waarvan hij op dat moment deel uitmaakt.

Vaak genoeg bekruipt me in de kerk ook een tegenovergesteld gevoel. Dan denk ik: wat doe ik hier? Wat is dit voor absurd ritueel? Hoe kan een weldenkend mens dit serieus nemen? Dan neemt het door het modernistische, wetenschappelijke denken gevormde individu in mij het over en aanschouw ik de dienst als religieuze poppenkast – als buitenstaander.

Dat heeft ook met het verloren geloof van mijn kinderjaren te maken. In de kerk van mijn jeugd werd de Bijbel niet alleen gebruikt als Gods Woord, maar ook als bron van historische en wetenschappelijke kennis – iets dat in sommige orthodox-christelijke en evangelische kerken nog altijd gebeurt.

De Bijbel is geen kruiswoordpuzzel

Die manier van denken over en omgang met de Bijbel zit me nog steeds af en toe dwars. Het zit diep in me en oprispingen ervan hinderen me in mijn hernieuwde zoektocht naar God. De twijfel, die toch al groot is, wordt er door verdiept.
De Bijbel is voor mij geen kruiswoordpuzzel, waarbij je slechts de vakjes juist hoeft in te vullen om in de hemel te komen. Wie uit de Bijbel precies meent te kunnen opmaken wat Gods bedoelingen zijn en anderen voorschrijft wat ze moeten geloven, plaatst zichzelf volgens mij boven God. Op die manier verwordt God tot een Oude Man met een grijze baard die vanuit de hemel aan de touwtjes trekt. Met zo’n afstandelijke, ‘objectieve’ god kan ik niks.

Voor mij is de Bijbel zowel Gods Woord als een verzameling oude teksten, die de weerslag vormen van een bepaalde traditie van godservaringen. Teksten die bovendien een rijke interpretatiegeschiedenis van tweeduizend jaar met zich meedragen. Als gelovige (en ja: ik geloof dat ik geloof) maak je jezelf deelgenoot van die traditie, door de dialoog aan te gaan met die oude teksten. Je gebruikt ze om betekenis te geven aan je leven. Maar geloof vereist ook een onvoorwaardelijke overgave aan ‘het absurde’. Daar ben ik inmiddels wel achter. Om met de filosoof Søren Kierkegaard te spreken: geloof ‘is een paradox waarvan geen denken zich meester kan maken, omdat het geloof nu juist daar begint waar het denken ophoudt.’ (uit: Vrees en Beven)

‘(…) het getuigt van intellectuele luiheid om religie weg te zetten als achterhaalde onzin, die de moderne mens vooral in de weg zit.’

Dat denken is mijn grootste probleem. Aan de ene kant heeft het me bevrijd van het afstandelijke geloof van mijn jeugd en van het wetenschappelijk-atheïstische wereldbeeld. Want filosofisch en historisch is het vrij eenvoudig te beredeneren dat het getuigt van intellectuele luiheid om religie weg te zetten als achterhaalde onzin, die de moderne mens vooral in de weg zit.
Dan ga je bijvoorbeeld voorbij aan het feit dat onze Westerse cultuur – hoe godverlaten ze soms ook lijkt – in haar kernwaarden nog altijd door en door christelijk is. Dat ook humanisme een christelijke uitvinding is. Maar belangrijker: de wetenschappelijke blik op (en omgang met) de werkelijkheid werkt goed in de scheikunde, evolutietheorie, bij autoreparaties en nanotechnologie, maar schiet tekort als het gaat om relaties tussen mensen onderling of de betekenis van ons leven.

Bij geloven gaat het niet om een objectieve, maar om een relationele waarheid en dat is iets fundamenteel anders. Het is een waarheid die je geschonken wordt, maar die je ook samen met anderen waar moet maken in hoe je je leven leeft. God is voor mij een mysterie dat zowel ver boven ons begrip en ons denken uitstijgt, maar dat wij als mensen door de komst van Jezus Christus ook deelachtig zijn geworden. Want dat is, denk ik, de kern van wat we vieren met kerst: met Jezus’ geboorte kwam God in de wereld en werd Hij onze deelgenoot in het aards gewemel. Maar dat niet alleen: door Hem zijn wij mensen ertoe geroepen om – als het lichaam van Jezus Christus – de goddelijke waarheid, het Koninkrijk Gods, de liefde van Christus, of hoe je het ook wilt noemen, mede gestalte te geven.

De neiging om te relativeren

Dit laatste klinkt in de oren van een modern, seculier mens waarschijnlijk belachelijk. Ik had zelf heel lang niet kunnen denken dat ik ooit nog eens zoiets zou opschrijven. En als ik nu de woorden in de vorige alinea teruglees, slaat bij mij de twijfel weer toe en krijg ik de neiging de boel maar weer te relativeren, zoals ik – uit een gevoel van schaamte – ook vaak flauwe grappen maak als ik met mijn vriendin een poging doe hardop te bidden.
Taal schiet al te vaak tekort als het gaat om geloof. Vandaar dat dit hele artikel een onbeholpen poging blijft om iets duidelijk te maken dat eigenlijk alleen te ervaren is en dat vooral gedaan moet worden. Denken mag dan bevrijdend werken, het weerhoudt je van volledige overgave en van actie.

In het boek Mijn heldere afgrond – Overpeinzingen van een moderne gelovige citeert de Amerikaanse dichter Christian Wiman een uitspraak van Franciscus van Assisi die eigenlijk alles zegt:

Ga heen en verspreid het evangelie met alle mogelijke middelen; indien noodzakelijk, gebruik woorden.

Over Wimans boek, dat eerder dit jaar in een Nederlandse vertaling verscheen, was in de voorbije maanden veel te doen en niet alleen in christelijke kringen. De diepzinnige beschouwingen en gedichten waarmee Wiman zijn worsteling met het geloof verwoordt, raakten bij veel lezers een gevoelige snaar. Ook bij mij. ‘Geloven gaat steels’, schrijft Wiman, ‘het overkomt je als dauw: op sommige dagen word je wakker en daar is het. En net als dauw brandt het op in de opgaande zon van de onrust, ambities, afleiding.’

Wiman spreekt vaak over het ‘allesverterende zelf’ dat geloven in de weg staat. Bij mij uit zich dat vaak in denken over het geloof. Ik kan prima beredeneren waarom geloven goed is en intellectueel kan ik het ook goed voor mezelf verantwoorden. Maar wordt het niet een pose? Ik weet van mezelf dat ik me graag afzet tegen heersende modes en me bij voorkeur afkeer van de massa, wat trouwens weinig christelijk is. Daarom vraag ik me af: is dit hele verhaal geen interessantdoenerige borstklopperij? Een quasi-religieuze egotrip? Zo van: kijk mij eens stoer gelovig doen, in een wereld waarin gelovigen nauwelijks nog serieus worden genomen.

Geloven is hondsmoeilijk

Geloven is een vlucht uit de werkelijkheid, hoor je wel eens. Dat mag zo zijn, maar het lijkt me zinvoller dan vluchten in drank of hedonisme, in sport, in games, in kunst, in je werk of in jezelf. Geloven is makkelijk en laf, hoor je ook wel zeggen. Dat begrijp ik niet; ik vind het juist hondsmoeilijk. Zoals Wiman ergens in zijn boek zegt: ‘Christus is een glasscherf in je darmen’. Want geloven is geen vrijblijvend tijdverdrijf voor de zondagochtend. Het is een opdracht tot handelen, tot liefde doen. Het vereist totale overgave aan iets waarvan je nooit zeker kunt zijn, omdat het steeds opnieuw waar gemaakt moet worden. En het is ongemakkelijk. ‘Al te vaak is de opdracht waartoe we geroepen worden simpelweg om vriendelijk te zijn tegen de irritantste persoon naast ons op kantoor’, zegt Wiman.

En dat is moeilijker dan het lijkt. Laatst zocht ik, met mijn goede bedoelingen, bij het gezamenlijk koffiedrinken na de zondagse eredienst een buitenlandse kerkganger op, die eenzaam bij een tafeltje stond. In gebrekkig Nederlands vertelde hij zijn verhaal. Hij was een Bulgaarse straatmuzikant zonder vaste woon- of verblijfplaats. Met muziek maken verdiende hij net genoeg om het slaaphuis te betalen en eten te kopen. Hij wilde graag met kerst naar huis, om het feest met vrouw en kinderen te vieren. Hij vroeg niet om geld, maar het leek erop dat hij zijn hoop op zijn mede-kerkgangers had gevestigd. Wat doe je dan als zelfbenoemd christen, die hier een verhandeling houdt over geloof dat je vooral moet doen?

Weerloos afzien van macht

Het Nieuwe Testament vertelt hoe Jezus ons het leven heeft voorgeleefd. Hij bracht het Koninkrijk van God in de wereld door zorg te dragen voor de zieken, armen en wezen en het perspectief te kiezen van de verdrukten en de vernederden – de verschoppelingen van de samenleving. Dat deed Hij op radicale wijze, niet door Zijn almacht te gebruiken, maar juist door in totale weerloosheid af te zien van macht – door een leven van liefde en door van God te blijven spreken, tot in de dood.
Geloven is dat voorbeeld navolgen en Christus waar maken middels een leven van naastenliefde, je openstellen voor anderen, de dialoog aangaan met een open houding, zonder dogma’s – door zorg te dragen voor anderen, in het besef dat menszijn geen individueel project is.

Als geloof een vlucht is, dan is het vluchten in een heldere afgrond, zoals Wiman het omschrijft. Het is een overgave aan het licht van Christus, waarvoor je je zelf volledig moet durven verliezen. Om aan zelfzucht te ontsnappen – om echt vrij te worden – moet je als het ware geestelijk zelf-moord plegen, keer op keer, om op te kunnen gaan in dat grotere, onbegrijpelijke geheel, dat je God kunt noemen, maar ook het Zijn, het Al, het Eeuwige of de Ene. Want taal schiet altijd tekort. Maar waar vindt een mens de moed voor die sprong in de heldere afgrond, waar alles met alles samenhangt, verbonden door liefde? Voorlopig ga ik struikelend voort, tastend in het duister waar zich af en toe een glimpje licht toont, in de hoop ooit over de rand te durven stappen. Of val ik al?

Job van Schaik (51) woont in Groningen en werkt op de cultuurredactie van Dagblad van het Noorden. Sinds een half jaar bezoekt hij met zijn vriendin regelmatig de eredienst in de Laarkerk in Zuidlaren (PKN). Voor de gezamenlijke kerstbijlage van Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant schreef hij dit verhaal over zijn herontdekking van het geloof. Voor Lazarus zal hij de komende maanden verslag doen van zijn zoektocht.


Behalve de genoemde auteurs is de zinsnede ‘Ik geloof dat ik geloof’ geleend van het gelijknamige boek uit 1996 van de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo. Andere inspiratiebronnen bij het schrijven van dit verhaal waren de romans Gilead, Thuis en Lila van Marilynne Robinson en de essaybundel Liberaal Christendom – Ervaren, doen, denken die dit jaar verscheen.


 



INSTAGRAM
Lazarus op instagram